Home
Over Anda Schippers
Bloemlezing uit eigen werk
Vertaalde kookboeken
Het Groene Blaadje
Aardse (on)genoegens
Lezen & dromen
Wijn
Reageren of meer informatie?
Archief menu's huiskamerrestaurant
Links
E-mail
 
  Bloemlezing uit eigen werk (gepubliceerde columns)

De massa

Onlangs kreeg ik bij vrienden als aperitief een Riesling uit de supermarkt. Ja, ik schrok er ook van. (Maar lees door!) Ik moest denken aan de ophef die laatst ontstond in de Amerikaanse wijnpers omdat journalist en sommelier Bianca Bosker had durven beweren dat wanneer je weinig geld hebt en toch lekkere wijn wilt drinken, je gewoon de wijnen van grote merken moet kopen, zoals Yellow Tail. Dat raakte kennelijk een open zenuw onder wijndrinkers die alleen echte kwaliteit willen drinken en daar veel tijd en geld aan besteden. Mensen die hun wijn bij de Aldi kopen en er nog trots op zijn ook: dat ligt doorgaans niet goed bij de serieuze liefhebber. En openlijk met een bag-in-box over straat lopen – je moet er niet aan denken.

Maar Boskers betoog is interessant. Ze beschrijft hoe moderne goedkope wijn helemaal op de grootste groep consumenten is afgestemd. De wijn wordt van a tot z gemaakt met de smaak van ongetrainde drinkers als uitgangspunt. Grote bedrijven laten hun wijnen voortdurend proeven aan panels van amateurs, en passen de smaak en – heel belangrijk – het mondgevoel op hun bevindingen aan. Dankzij allerlei hulpstoffen, toevoegingen en technieken kán dat ook. Het is een technologische revolutie, aldus Bosker, die ervoor zorgt dat wijn een democratisch product is geworden, net zo toegankelijk als cola.

En daar viel de halve wijngemeenschap over. Merkwijn is eenduidig, oninteressant en onnatuurlijk. Er werden grote woorden gebruikt: natuurwijn zou het laatste bolwerk op de wereld zijn van ‘de vrijdenkende, libertijnse en licht anarchistische politieke cultuur’. Er waren ook verstandige opmerkingen: er ligt nog een heel spectrum tussen (en buiten) politiek geïnspireerde, hoogst individuele natuurwijnen-met-gebruiksaanwijzing enerzijds en massaal geproduceerde, gladde merkwijnen anderzijds. En of het ene moreel gezien beter is dan het andere, dat is nog maar de vraag.

Het is weer de aloude kwestie van de ‘elite’ versus de ‘massa’: de massa moet verheven worden tot de wijnen die de elite graag drinkt. Maar als de massa dan eenmaal massaal natuurwijnen drinkt, heeft de elite – die wel graag de elite wil blijven – allang weer een ander exclusief wijntje gevonden. Misschien wel die lekker ordinaire glijmiddelen uit de supermarkt. Zoet, dik en simpel.

De Riesling die mijn vrienden schonken was fruitig en lekker fris, en gleed dankzij een klein zoetje heel makkelijk naar binnen. De zoutjes smaakten er goed bij. De sfeer was uitstekend en de geuren uit de keuken die de maaltijd aankondigden waren heerlijk. Na dit bescheiden begin konden de serieuze wijnen aan tafel voluit schitteren. Al was deze Riesling misschien geen spotgoedkope, massaal geproduceerde merkwijn, hij was wél gemaakt met het oog op een breed publiek, en hij liet een aspect zien van eenvoudige wijnen dat nogal eens onderbelicht blijft: dat ze soms gewoon precies de wijn zijn die perfect bij het moment past.

(2017)

Damesfeestje


Onlangs bezocht ik met collega Wendy Otting de plaatselijke groothandel om wat sherry te kopen voor de workshop die we samen op Perswijn Select zouden geven. We bekeken verschillende flessen, overlegden erover, legden iets in het wagentje, verruilden het toch weer voor iets anders – gewoon, zoals een wijnminnend mens dat doet. We waren er heel gelukkig mee, tot er een behulpzame wijnmedewerker naar ons toe kwam en zei: ‘Sherryfeestje, dames?’

Stilte.

Sherryfeestje, dames? Ja! Want sherry drinken is altijd een feest, zelfs als hij van een winkel komt waar de medewerker van de wijnafdeling er helemaal niets van af blijkt te weten. Sherry is een feest, omdat het een serieuze, complexe en verschrikkelijk lekkere wijn is, die misschien enige aandacht, oefening en een beetje kennis vraagt, maar dan een hele wereld van geuren, smaken en texturen aan je openbaart.

Sherryfeestje, dames? Inderdaad. Want vrouwen hebben – schokkend, maar ik zweer het – ook gewoon hersens waarmee ze een ‘moeilijke’ wijn als sherry op zijn waarde weten te schatten. Laat me het je even uitleggen, moppie. Als wij vrouwtjes ons domweg willen bezatten met goedkope meuk, dan kopen we wel goedkope meuk en geen flessen amontillado en oloroso; wijnen die jarenlang in een solera hebben liggen rijpen en prachtige smaken van noten, dadels, vijgen, koffie en tabak hebben ontwikkeld, samen met een elegant droog mondgevoel en een hartige, soms bijna zilte en eindeloos lange afdronk.

Sherryfeestje, dames? Dat zou ik denken. Sherry stond en staat in Nederland bekend als vrouwendrankje. En als vrouwen iets graag drinken, dan kan het nooit veel zijn. Geen probleem. Dan drink ik wel wat meer sherry als daad van feministisch verzet. Dan geniet ik wel in mijn eentje of met mededames van een glas fino, met die pittige geur waarvan je meteen wakker wordt, met die typische smaken van gist en amandel, met dat lekker messcherpe en beendroge gevoel op je tong. Heerlijk hoor, zo’n dameswijntje met wat meer alcohol en een uitgesproken, sterke smaak. Weet je wat, het huis is aan kant, alle zeven kinderen zijn naar school en de krullers zitten al in mijn haar: ik neem gewoon nog een glas.

Sherryfeestje, dames? Zeker weten. Sherry is een oude wijn met een indrukwekkende geschiedenis, waarvan elk glas een weerspiegeling en een onderdeel is. Het is een wijn met een oude geest in een jeugdig lichaam. Een wijn van een intensiteit waar je stil van wordt. Een wijn bovendien die net zo goed past bij het felle licht en de droge hitte van een Andalusische zomer als bij de namiddagschemer van een Nederlandse winterdag. Van een delicate, bloemige manzanilla tot een rijke, complexe PX: sherry bestrijkt het hele spectrum van verfijnd droog tot weelderig zoet. Feestje, dames!

(2016)


Het aloude trio


Ik geloof niet in een god en ik doe niet aan religie. Toch is er een drie-eenheid waar ik veel ontzag voor heb: die van kaas, brood en wijn. Samen vormen ze een doeltreffende en vooral heerlijke maaltijd, ook al voldoet die niet helemaal, of helemaal niet, aan de voorschriften van het Voedingscentrum. Het is een beproefde combinatie die ik op allerlei niveaus diep bevredigend vind, en niet alleen vanwege de koolhydraten, het vet en de alcohol.

Zowel brood, kaas als wijn heeft een lange geschiedenis. En op momenten dat ik mijn geloof in de mensheid verlies, doet het me goed iets te nuttigen dat al eeuwenlang op een groot deel van de aardbol gegeten en gedronken wordt. Dat geeft een gevoel van verbinding met andere zielen op aarde – of ik het in politiek, religieus of moreel opzicht nou met ze eens ben of niet. Het geeft ook een gevoel van continuïteit. Ik sta in een lange lijn van brood-met-kaaseters en wijndrinkers. Ik voel geen behoefte om daadwerkelijk te kauwen op het steengruis dat in de middeleeuwen via de molenstenen in het meel en dus het brood belandde, of om een te zure of te zoete wijn met kruiden te drinken. Maar het idee dat je hetzelfde eet en drinkt als je voorgangers toen, ja, dat vind ik mooi. Net als de esthetiek ervan: ik krijg nooit genoeg van de prachtige stillevens uit de Gouden Eeuw met brood, kaas en wijn.

Daar komt bij dat brood, kaas en wijn alle drie het resultaat zijn van complexe fermentatie- en rijpingsprocessen. Processen die nauw verbonden zijn met gisten, schimmels en bacteriën; leven, dood en wederopstanding; verrotting, verkleuring en vormverandering. Het is niet voor niets dat zoveel mensen huiverig zijn voor de bacteriën in rauwmelkse kaas of de smaak van zuurdesembrood, of zich zo opwinden over het feit dat sommige wijnen spontaan mogen gisten en zonder toevoeging van sulfiet gemaakt worden. Het zijn processen die vragen om enige overgave aan de natuur; je kunt ze niet voor de volle 100% sturen. Want hoe meer de mens doet om die processen te onderdrukken, te versnellen en goedkoop te maken, hoe smakelozer het brood, de kaas en de wijn worden.

Met een hart dat overloopt van liefde voor kaas, brood en wijn kijk ik natuurlijk altijd uit naar het kaasplankje. Een maaltijd na de maaltijd, in feite. Daarom begrijp ik eigenlijk niet waarom ik steeds vaker zo’n tot het uiterste beladen plankje krijg. Met jam, gelei, stroop, boerenjongens, compote en chutney. Natuurlijk: lekker spul allemaal. Maar te véél. En te ingewikkeld. De drie-eenheid wordt acht-eenheid of tien-eenheid. Het brood verzuipt. De wijn raakt de weg kwijt. De kaas bezwijkt eronder en de eter ook. Laten we het bij het aloude trio houden. Simpel. Sterk. Mooi.





Wijn en zijn


In het voorwoord bij Het boek van den wijn uit 1931 schrijft J.P.M. Keuls, ‘Nederlandsch vice-consul te Bordeaux’, dat zijn boek niet is bedoeld voor mensen die wijn ‘om principieele of andere redenen (...) beschouwen als verderfelijk, hetzij voor het lichaam dan wel voor den geest’. Nee, het is geschreven voor iedereen die goede wijn kan waarderen en die zich van nature tot wijn aangetrokken voelt. ‘Immers, gevoeligheid voor kleur, smaak en bouquet van den wijn, beteekent ontvankelijk zijn voor fijnere indrukken in het algemeen en is een aangeboren eigenschap.’ Prettig idee: wijnliefhebbers zijn van nature beschaafder dan andere mensen.

Een van de hedendaagse aanhangers van het idee dat wijn en beschaving met elkaar verbonden zijn, is de Schotse schrijver Alexander McCall Smith. In een interview noemt hij een aantal van zijn favoriete boeken (ook van die beschaafde dingen) waarin wijn een belangrijke rol speelt. Ik besloot ze allemaal te lezen. Ik was echter niet al te erg onder de indruk van de wijnmisdaadreeks van Peter Mayle, doorspekt met zeer belegen seksime; de slaapverwekkende wijndetectives van Jean-Pierre Alaux & Noël Balen of het sympathieke maar nogal brave wijnromannetje My Italian Bulldozer van McCall Smith zelf – al bevatten deze boeken wel smakelijke beschrijvingen van wijnen en maaltijden. Het boek The Irresistible Inheritance of Wilberforce van Paul Torday, over een man die een wijnkelder erft en zich dooddrinkt, heeft wél interessante scherpe randjes, maar lijkt soms iets te veel op een pamflet van de anti-alcohollobby.

Op het lijstje van McCall Smith stond nog een auteur: Roger Scruton. Deze oerconservatieve Britse filosoof en wijnliefhebber lijkt me een bloedirritante man, maar hij kan goed schrijven en weet hoe hij zijn lezers moet prikkelen. Zijn boek I Drink Therefore I Am gaat over de beschavende werking van wijn op de geest. Wijn helpt de mens zijn gedachten te ordenen en inzichten te vormen. Het eerste deel is gewijd aan Scrutons ontwikkeling als wijndrinker en staat vol heerlijke uitspraken over wijn, zoals deze over blind proeven: ‘Denken dat je een wijn kunt beoordelen op basis van alleen zijn smaak en aroma, is hetzelfde als denken dat je een Chinees gedicht op basis van de klank kunt beoordelen, zonder de taal te kennen.’ Het tweede deel is gewijd aan de band tussen wijn en zijn. De auteur behandelt hier onder andere de relatie tussen wijn en het zelf. ‘Door wijn weten we dat we één ding zijn, dat tegelijk twee is: subject en object, ziel en lichaam, vrij en gebonden.’ Aan het eind van het boek haalt Scruton nog even grondig uit naar gezondheidsfreaks en frisdrankdrinkers (die aan ‘plastic uiers’ lurken), en adviseert hij welke wijn we het best bij welke filosoof kunnen drinken.

Echt overtuigend is het uiteindelijk niet – dictators drinken immers ook wijn – maar een mooie illusie is het wel. Ik drink, dus ik ben beschaafd.

(2016)


Sherry van Knorr


In Nederland reduceren we keukens uit de hele wereld graag en met het grootste gemak tot een handzaam pakje of zakje: met Knorr Wereldgerechten eet je heerlijk makkelijk en uiteraard 100% authentiek de ene dag Thais, de volgende dag Turks en de dag erna Zuid-Afrikaans. Zelf enige moeite doen om erachter te komen wat een gerecht nou specifiek Thais maakt? Waarom zou je? Dat er en passant misschien iets – of heel veel – moois uit zo’n keuken verloren gaat: het zal veel Nederlanders worst wezen. Als het maar makkelijk is. Als we er maar geen enkele moeite voor hoeven te doen. Als het maar niet eng is.

Het lijkt wel alsof alles hier op kleuterschoolniveau moet. Wijn? Oeh, moeilijk. Maar kijk, we plakken overal een gekleurd stickertje bij en we doen er een leuk plaatje van een beestje op en zo nemen we elkaar aan het handje mee door die lastige wereld van rood, wit en rosé. Oké, wijn een beetje minder eng en eigenlijk best wel interessant. Maar wat is dat? Sherry! Whoa. Nijntje schrikt zich rot. Geen dierenplaatjes! Moeilijk moeilijk. Gelukkig zijn er altijd weer marketingmensen die wel weten hoe ze zoiets aan moeten pakken. Weet je wat? We nemen twee prachtige elementen uit de Andalusische cultuur – sherry en tapas – en slaan ze met onze Nederlandse marketinghamer lekker plat tot iets dat in één hapklare brok naar binnen kan: shapas. Ja, shapas. Een woord dat nog onsmakelijker klinkt dan een Knorr Wereldgerecht.

Zoals het in de marketing hoort, wordt iets dat al heel oud is voorgesteld als een opwindende nieuwe uitvinding. Dat sherry een veelzijdige wijn is die met allerlei (en ook ‘moeilijke’) smaken te combineren is: ja, dat wisten we al. Dat olijven lekker zijn bij een glas fino: wisten we al. Dat je sherry niet alleen als aperitief hoeft te drinken: wisten we al. Dat de lekkerste combinatie tussen een sherry en een hapje een shapa heet: dát is nieuw, maar dat hadden we net zo lief niet geweten en gaat alleen over de buitenkant.

Mogen mensen dan geen lol hebben met sherry, mevrouw de zuurpruim? Ja, alsjeblieft wel. Je hoeft geen énkele kennis van sherry te hebben om ervan te kunnen genieten. Drink sherry, eet erbij, kook erbij, kook ermee, mik het in al je cocktails, maak vooral duizenden shapas als je het over je tong kunt verkrijgen. Maar denk er dan ondertussen af en toe wel aan dat we sherry en tapas als het ware te leen hebben uit een andere cultuur en dat er een wereld achter schuilgaat die verder reikt dan een geinig marketingvondstje. Net zomin als de Thaise keuken zich door Knorr in een pakje laat stoppen, laat de complexiteit van sherry zich in een shapa vangen.

(2016)


Normen en waarden

Is wijn drinken tegenwoordig een daad van verzet? Mogen u en ik – brave Perswijnlezers – onszelf vleien met de gedachte dat onze nerdachtige hobby opeens een heldhaftige bezigheid is? Na de aanslagen in Parijs lijkt het daar op. Uitgaan, op terrasjes zitten, uit eten gaan, samen van het leven genieten – kort samengevat: wijn drinken – stonden symbool voor het vrije westerse leven en de wens om dat leven niet in te laten perken door terroristen. ‘Europa is champagne & wine’, schreef een columnist in de Volkskrant.

Ook werd het boek A Moveable Feast (1964) van Ernest Hemingway opeens weer populair. Hemingway beschrijft daarin een periode in zijn leven die zich grotendeels afspeelt in het Parijs van de jaren twintig; een glorieus tijdperk, dat ook al aan bod kwam in zijn roman The Sun Also Rises (1926). Een rare man, die Hemingway, maar beide boeken zijn de moeite waard, zeker ook voor wijnliefhebbers en levensgenieters.
Uit A Moveable Feast komt bijvoorbeeld de beroemde passage over de oesters met droge witte wijn: ‘As I ate the oysters with their strong taste of the sea and their faint metallic taste that the cold white wine washed away, leaving only the sea taste and the succulent texture, and as I drank their cold liquid from each shell and washed it down with the crisp taste of the wine, I lost the empty feeling and began to be happy and to make plans.’
Tijdens een reisje met schrijver en hypochonder Scott Fitzgerald, die bang is dat hij longontsteking heeft, raadt de ik-figuur aka Hemingway hem aan Mâcon te drinken: ‘I urged him to take another drink of Mâcon, since a good white wine, moderately full-bodied but with low alcoholic content, was almost a specific against the disease.’

Ha! Kom daar nog maar eens om anno 2016. Want de lifestyle die bij wijn drinken hoort mag dan een soort verzetsdaad tegen religieus fanatisme zijn, ik krijg steeds vaker het nare gevoel dat wijn drinken het nieuwe roken aan het worden is. Lange tijd hebben we onze wijnconsumptie kunnen verdedigen door te zwaaien met onderzoeken waaruit bleek dat wijn goed voor je was. Van gezondheidsautoriteiten mochten mannen twee à drie glazen per dag en vrouwen één à twee. De nieuwste adviezen, afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, zijn echter angstaanjagend zuinig: maximaal één klein glas per dag voor mannen – vrouwen zijn dus helemaal de lul: één klein glas per twee dagen – en eigenlijk is zelfs dat nog geen ‘veilige’ hoeveelheid. Een paar dagen per week niet drinken is goed, helemaal niet drinken is beter.

Crikey! Ons wijnliefhebbers wacht dus een dubbele taak. Niet alleen moeten we de westerse normen en waarden hooghouden door van wijn te genieten, we moeten ook nog zien te voorkomen dat we straks met z’n allen in de regen buitenstaan omdat het binnen verboden is te drinken. Ik ga meteen aan de slag.

(2016)

Des duivels

In de wereld van het eten volgen de trends elkaar lekker snel op. Tarwegrassap, chiazaad, freekeh, het knotsgekke paleodieet: never a dull moment. In de wijn gaat het allemaal wat trager. Voordat al die wijnboeren hun stokken omgeënt hebben van sauvignon blanc naar pinot noir en daar een bruikbare opbrengst van hebben – dat duurt gewoon even. En een deel van de trends, zoals die wereldwijde doorbraak van Riesling en de vraag naar lichtere, elegante doordrinkers, lijkt soms eerder wishful thinking van wijncritici dan een daadwerkelijke behoefte van wijndrinkers. Ook zijn de marketingmogelijkheden duidelijk anders. Spa kan reclame maken voor ‘Spa Bruisend met een vleugje smaak’. Dat zie ik een wijnproducent nog niet doen. Wie van u rent naar de winkel voor een fles ‘champagne met een vleugje smaak’?

Toch lijkt een deel van het wijndrinkend publiek dát nou juist te willen, en wel in de vorm van wijn met geen of weinig alcohol. Ik weet het, het is vloeken in de kerk. Alcohol draagt smaak, alcohol geeft pit, alcohol geeft een roes. Hoeveel pijlers kun je onder een brug wegslopen voor hij instort? Wijn waar de alcohol (grotendeels) uitgehaald is, mag dan ook geen wijn heten. Toch is er vraag naar. Op de diverse social media die ik dag en nacht gretig afloop, kom ik steeds vaker opgetogen verhaaltjes tegen over gestripte wijn. Van wijnliefhebbers die na het zuipen (kun je dat dan nog zo noemen?) nog met de auto naar huis willen; van zwangere vrouwen; van mensen die geen alcohol mogen drinken én van fashionista’s, die doodsbang zijn iets te eten of te drinken waar meer dan 1 calorie in zit. De meisjes dus die ook bereid zijn geld uit te geven aan Spa met een smaakje. En die dan dingen drinken met huiveringwekkende namen als SkinnyGrape (‘available in 4 amazing varietals’).

Als ik geen alcohol wil drinken, pers ik in al mijn gereformeerde braafheid een groentesapje in mijn slowjuicer. Dat is lekker en smaakt ook uitstekend bij het eten. Maar kennelijk zijn er steeds meer wijndrinkers die liever losgaan met een fles alcoholvrij (ik heb geen cijfers, maar volgens de Vereniging Drankenhandel Nederland stijgt de verkoop traag maar gestaag). Er zijn zelfs webwinkels die alléén maar alcoholvrije wijn verkopen! Zou dat spul tegenwoordig dan echt drinkbaar zijn? Nu wil ik het weten ook. Voor mij staan 3 flessen alcoholvrij: Natureo Free Muscat en Natureo Free Syrah van Torres (nog best duur à € 8,49) en voor de lol een sekt: Style Zero Light van Römer (€ 3,59). Ik ga u niet vermoeien met ‘proefnotities’. Na de sekt en de fles rood heb ik om eerlijk te zijn de witte niet eens meer geproefd. Oké, het spul smaakt beter dan 7Up. Maar met wijn heeft het helemaal niets te maken. Alcohol mag dan calorierijk gif zijn, alcoholvrije wijn is pas écht het werk van de duivel.

(2015)


Vrijheid

Ellen Giebels is hoogleraar conflict, risico en veiligheidspsychologie aan de Universiteit Twente. Naar aanleiding van de bevrijding van een Nederlandse gegijzelde in Mali, vertelde ze in de Volkskrant over de overlevingsstrategieën die slachtoffers toepassen tijdens hun gevangenschap. Ze zei onder andere: “Wat hen op de been houdt, is een focus op de toekomst; op wat ze gaan doen als ze weer vrij zijn. Opvallend is dat lekker eten een van de grote thema’s is.”

Zo opvallend lijkt me dat niet. Eten is een van de belangrijke fundamenten van je leven, en lekker eten betekent ook: kunnen eten wat je wilt wanneer je wilt. Het deed me denken aan Rausch der Verwandlung, een (onafgemaakte) roman van Stefan Zweig. Het boek speelt zich af in 1926 en beschrijft de lotgevallen van de in bekrompen armoe opgegroeide Christine Hoflehner. Haar leven is tamelijk uitzichtloos, tot ze plotseling in een soort sprookjessituatie belandt: een oom en tante nodigen haar uit bij hen in een schitterend hotel te komen logeren. (De beschrijving van dit hotel gaf regisseur Wes Anderson de inspiratie voor zijn film The Grand Budapest Hotel: dát niveau van luxe.) Christine maakt voor het eerst in haar leven kennis met overdaad en met de vrijheid die rijkdom brengt. De entourage, de bediening, het eten: het is allemaal even indrukwekkend. “Maar het beste is de wijn. Die moet wel gemaakt zijn van gouden druiven die rijpten in de zuidelijke zon, die moet uit een gelukkig land ergens ver weg komen; hij geeft een doorschijnende, ambergele gloed af en glijdt traag vloeibaar door je keel als koele, zoete room. (…) Zonder het te merken wordt ze spraakzaam. Klaterend gelach stroomt opeens uit haar keel als zojuist ontkurkte champagne; ze is zelf verbaasd over de zorgeloze lachslierten die tussen haar woorden door opbruisen.”

Het loopt heel slecht af met Christine en er is geen reden om jaloers op haar te zijn. Maar om op die manier voor het eerst wijn te drinken! Er zo uitbundig en zo onbevangen van te kunnen genieten: dat is een vermogen dat je als grootverbruiker snel dreigt te verliezen. En dat zit ’m natuurlijk in het gebrek aan contrast. Elke dag feest, dat is uiteindelijk geen feest meer. Naarmate ik ouder en wijzer word, begin ik weer steeds meer te voelen voor die goeie ouwe matigheid waarmee ik opgevoed ben. Niet vanuit een beknepen, calvinistische angst voor overdaad als zonde, maar vanuit een streven naar evenwicht – én naar optimaal genieten. Enige onthouding kan geen kwaad, zo merkte ik toen ik om medische redenen (nee, geen kapotgezopen lever) zo’n anderhalve maand geen wijn mocht drinken. Het was vervelend, want gedwongen onthouding is niks. Maar toen. Het eerste glas Riesling, het eerste glas manzanilla: verpletterend lekker. En de champagne kwam rechtstreeks uit de hemel.
Het zette me aan het denken. Misschien is jezelf beperkingen kunnen opleggen wel de grootste vorm van vrijheid.

(2015)


Sprezzatura

Een paar weken geleden was ik in Turijn. Een geweldige stad, die zich echter niet zomaar aan je openbaart: je moet er moeite voor doen, de stad liefst te voet doorkruisen, goed kijken en de sfeer langzaam in je opnemen. Het regende, maar dat gaf niets, want dat paste wel bij deze ietwat afgebladderde, maar elegante, bijna onderkoelde stad met zijn prachtig weemoedige licht en zachte kleuren, die door de regen alleen maar mooier werden.

Dat licht en die kleuren deden me denken aan l’heure bleu, het uur vlak voor zonsopgang en vlak na zonsondergang waarop alles zachtblauw lijkt te zijn. En dat leidde mijn gedachten weer naar le cinq à sept. Dat zijn die uren tussen werk en thuiskomst waarin je als het ware even spoorloos bent – op het werk denken ze dat je al naar huis bent, thuis denken ze dat je nog op je werk bent – en dus vrij bent om je eigen gang te gaan. De deur van de tijd staat open voor onverwachte ontmoetingen, voor een goed glas wijn ergens in een wijnbar, met bekenden of juist heel ontspannen alleen.
Daar stokten mijn romantische gedachten. Want waar in Turijn en andere grote steden de mooie gelegenheden om even binnen te lopen voor iets lekkers bijna voor het oprapen liggen, is dat in mijn eigen omgeving anders. In de Nijmeegse wijk waar ik woon en werk, is welgeteld één café en dat heet De Muts. Dan weet u genoeg.

Het is misschien een beetje flauw om buitenlandse horeca te vergelijken met de Nederlandse. Maar na het bezoek aan Turijn – waar je ook in de wat armoedigere wijk rond ons hotel de keuze had uit diverse uitstekende pasticcerie om te gaan ontbijten – vielen de vaderlandse beperkingen op dat terrein me weer eventjes rauw op het dak, al moet ik er meteen bij zeggen dat er geweldig goede uitzonderingen zijn, ook bij mij in de buurt. Neem echter die vreselijke gewoonte van horecapersoneel om op alles wat je als gast zegt te reageren met ‘helemaal goed’. Alsof het ook helemaal fout zou kunnen zijn. En al die vragen die je tegenwoordig moet beantwoorden! Vooral in restaurants van het type eetcafé plus. Daar wordt, zo valt me op (is het een trend?), hard gewerkt aan een luxere uitstraling, met beleefde bediening, acceptabele huiswijnen, linnen servetten en fatsoenlijk glaswerk. Dat vind ik prijzenswaardig – ja, zelfs helemaal goed – maar het betekent vaak ook dat je om de paar minuten lastiggevallen wordt, zelfs al zit je gewoon de dagschotel te eten. Of alles naar wens is? Of het smaakt? Of er nog iets ontbreekt? Ja, lief personeel: rust! Balans. Raffinement.
Wat ik mis, is iets wat elders zoveel vanzelfsprekender is: de kunst om iets waar je hard voor moet werken en dat veel vakkundigheid vereist, eruit te laten zien alsof het geen enkele moeite kost. In één heerlijk woord: sprezzatura.

(2015)


Nieuwe liefde

Ik dacht eigenlijk dat mijn grote liefdes op wijngebied wel zo’n beetje uitgekristalliseerd waren. Sherry, Riesling, champagne, Pinot Noir/Spätburgunder, Barolo: dat is de kern waarom mijn aanbidding draait. Heel wijnpolitiek correct allemaal, niets om je voor te schamen. Maar tot mijn eigen verrassing heeft zich de afgelopen jaren langzaam een ander wijntype in mijn kelder genesteld. Het gaat om witte wijn die niet zozeer door fruit, maar vooral door neutralere, brede aroma’s en smaken en door lagere zuren gekenmerkt wordt – type Italiaans wit, zeg maar, al betreft het zeker niet uitsluitend Italiaans. Het is wijn die eerder interessant is door zijn structuur en mondgevoel dan door een heleboel fris-fruitige smaaknuances. Wijn die ik geneigd was af te doen als saai, maar die dat helemaal niet blijkt te zijn. Een mooi voorbeeld ervan vind ik de Vigneto du Lot Soave Classico 2010 van Inama.

Op een bepaalde manier doet dit wijntype mij denken aan een muziekstuk van Bach, bekend als Air on G String (BWV1068: II Air). Een heel bekende melodie, die je misschien al zo vaak gehoord hebt, dat er weinig opwindends meer aan te ontdekken lijkt. Veel uitvoeringen ervan zijn bovendien nogal romantisch en gelikt. De uitvoering van Ton Koopman daarentegen brengt je naar het puntje van je stoel. Hij weet de kern van deze begrafenishit te raken: een eenzaam stuk muziek, dat associaties oproept met intense treurigheid en vermoeidheid (zoals die je kan overvallen nadat een geliefd persoon is overleden). Er zit een soort hapering in, bijna een moeizaamheid, die het geheel een bijzondere intensiteit meegeeft. Niet iedere luisteraar is het daarmee eens; er zijn er die deze uitvoering wat hakkelig vinden. Maar voor mij is dit hetzelfde soort spanning dat ik in sommige van mijn nieuwe wijnliefdes vind: ogenschijnlijk bescheiden, maar voortkomend uit vakmanschap en daardoor juist vol uitdrukkingskracht. De spanning zit ’m in wat er niet is, in wat er weggelaten wordt, in de pauzes. Als u begrijpt wat ik bedoel.

Het is natuurlijk niet zo dat mijn liefde voor al die andere verrukkelijke (en ook niet altijd even toegankelijke) wijnen nu minder wordt: mijn wijnhart is gelukkig groot en in de kelder is nog volop plek. Maar het is altijd leuk een nieuwe liefde te hebben; zeker als die min of meer ongemerkt je hart insluipt. Deze minder uitbundige wijnen – vaak van biologische of biodynamische herkomst en gevinifieerd met zo min mogelijk ingrepen en toevoegingen – zijn bovendien heel flexibele partners voor aan tafel, wat in het dagelijks leven erg handig is, en zijn op hun eigen, onderkoelde manier juist ook spannend. Dat ze zich wat minder makkelijk leren kennen, wil niet zeggen dat er niets te halen valt.

(2015)

Spanning en sensatie

Terwijl mijn ouders beneden in hun eigentijds ingerichte woonkamer zaten – bruine banken, oranje lampen – zat ik als tiener op zolder brieven te schrijven met een kroontjespen, bij het licht van een olielamp. Ik dacht toen nog dat het verleden veel mooier was dan het heden en wilde dat ik honderd jaar eerder geboren was. Hoewel mijn ouders me mijn gang lieten gaan, vonden zij zelf dat een mens maar beter in zijn eigen tijd kan leven.
Ze hadden gelijk, en zo zit ik anno 2014 ’s avonds met een iPad op schoot op de bank. Een geweldige uitvinding, die ik niet had willen missen. Alleen: op wijngebied valt er nog niet veel te beleven op de tablet. Wijntijdschriften als WineLife, Decanter, La Revue du vin de France, Terre de Vin en ook Perswijn zijn allemaal keurig te koop in de digitale winkel, maar het zijn elektronische kopieën van papieren bladen. Op zich niets mis mee, maar het laat de mogelijkheden van het medium praktisch onbenut. Zelfs hippe blaadjes als Noble Rot Magazine zijn in hun digitale versie zo opwindend als een oude aardappel.
Leuker wordt al het bij de digitale uitgave van de laatste versie van de Wine Atlas van Jancis Robinson en Hugh Johnson. Je kunt de kaarten lekker vergroten en met de zoekfunctie ben je snel waar je zijn moet. Toch blijft ook deze uitgave wat digitale mogelijkheden betreft heel basic en maakt de indeling met kolommen waarin je moet scrollen en informatieblokjes waarop je moet tikken de boel niet overzichtelijker. En het vervelendst: de kaarten zijn niet haarscherp.
Misschien nog het beste op dit moment (voor zover ik weet; ik ontvang graag tips) zijn de uitgaven van Jasper Morris over de Bourgogne. Zijn boek Inside Burgundy wordt in verschillende delen digitaal gepubliceerd; er zijn er nu twee verschenen, over de Côte de Beaune en de Côte de Nuits. Er zit – naast een heleboel ‘gewone’ tekst – een serie filmpjes in, waarin Morris je meeneemt de wijngaarden in (jammer van dat rare haar en die uitspraak, ‘grond crue’, maar vooruit), scherpe foto’s, kaarten die je goed kunt vergroten en een uitstekende zoekfunctie.
Maar toch: het is 2014 en van een filmpje raken we niet helemaal meer buiten onszelf. Wat ik eigenlijk verwacht had, was een veel sensationelere nieuwe wereld van wijnboeken en -tijdschriften. Met loeischerpe 3D-kaarten van wijngebieden. Met levensechte animaties van verschillende manieren van wijnmaken. Van wat er nou precies gebeurt in een vat gistende druiven, inclusief al die chemische reacties, en wat er verandert als de wijnmaker er een handje zwavel in mikt. Juist wijn, met al die verschillende aspecten die aan zoveel werelden raken, lijkt mij enorm geschikt voor zulke nieuwigheden.
Helaas. Het zal voorlopig allemaal wel te duur zijn, of zoiets. Ietwat ontmoedigd trek ik me nog maar even terug met een glas wijn, een vierdehands exemplaar van Notes on a Cellar-Book (1920) en een stompje kaars.

(2014)


Manolo’s en Merlot


Er zijn altijd meer wereldjes waar je niet bij hoort, dan waar je wel bij hoort. Zo hoor ik niet bij de glamourkringen of internationale jetset. Meestal kan ik daar meer dan uitstekend mee leven, maar soms zijn er feestjes waarvoor ik best wél een keer uitgenodigd zou willen worden. De liefdadigheidsfeestjes van Wine Women & Shoes uit Napa Valley, bijvoorbeeld. Op die bijeenkomsten wordt geld ingezameld voor een goed doel. Voor dat doel wordt de liefde voor schoenen en die voor wijn listig uitgebuit: de organisatoren haalden twee jaar geleden bijvoorbeeld 1,4 miljoen dollar binnen.

De gefilmde verslagen van deze koopfeestjes tonen vrolijke vrouwen in ogenschijnlijk eenvoudige zomerjurken, die ongetwijfeld een fortuin kosten. Tussen de uitgestalde waren – bij voorkeur ergens op een luxueus wijngoed met zwembad – lopen mannen in zwarte broeken en zwarte T-shirts rond met wijn en peperdure schoenen op plateaus: de Shoe Guys™. Deze mannen zijn, hou me vast, shoemeliers. Gewone mannen, die voor het goede doel een cursus volgen, zodat ze wat wijnkennis én schoenenkennis meebrengen. Ze leren bovendien een en ander over the art of wine and shoe pairing. En ze weten wat flirten is. Zoals de oprichtsters van WW&S zelf zeggen: a man who can match Manolos with Merlot has our hearts in his hand.

De combinaties zijn gebaseerd op textuur, complexiteit, kleur en het ‘gevoel’ dat de schoen geeft, aldus de organisatie. Bij ranke, zilverkleurige, strappy sandals schenken de shoemeliers bijvoorbeeld Sauvignon Blanc; bij goudgele platformpumps een Chardonnay; bij puntige, bloedrode killer heels een spannende Pinot Noir, enzovoort. Voor de mannelijke bezoekers zijn er overigens ook prachtige en al even kostbare schoenen, waarbij (ik doe een gok) een glas kruidige Rhône met een heel klein vleugje brett geserveerd wordt.

Er valt ongetwijfeld op allerlei niveaus van alles af te dingen op deze liefdadigheidsfeestjes van rijke mensen voor rijke mensen. Maar het straalt toch iets heel aantrekkelijks uit. Hier wordt nou eens geen wijn of ander product verkocht met behulp van blote tieten of gênante pornoachtige broeierigheid. De shoemeliers zijn geen Chippendales, maar gewoon nice guys. En de aanwezige vrouwen zijn er niet voor de sier, maar voor hun centen.

Anyway. Terug naar mijn wereld. Waarin ik onlangs met mijn man uit eten ging voor zijn verjaardag. We hadden allebei onze nieuwe schoenen aan. We hadden geen specifiek wijnadvies van de sommelier nodig: champagne moest het zijn, feestelijk en beschaafd. De sommelier boog licht en verdween, om even later weer aan tafel te verschijnen met de mededeling: “De champagne is op.” We vielen even helemaal stil. Ik hoorde mijn schoenen geschokt kraken onder tafel. De champagne was op. Veel groter kon de afstand tussen mijn leven en een Californisch, zonovergoten event met begeerlijke schoenen en lekkere wijnen niet worden.

(2014)

Kaasschaaf


Wij hadden vroeger thuis geen kaasschaaf. Mijn ouders – toch echt van de oorlogsgeneratie – sneden plakjes van de kaas met een mes. Dat leidde nogal eens tot dikke hompen. Lekker natuurlijk, maar als puber schaamde ik me voor de boterhammen die ik mee naar school kreeg. Grof volkorenbrood met dikke stukken kaas, terwijl mijn klasgenoten gewoon slap tarwebrood hadden met flinterdun beleg. Vooral mijn vader was altijd zeer royaal in het beleggen van mijn schoollunch. “Niet van dat benauwde”, zei hij graag.

Later, toen ik studeerde en op kamers woonde, en mijn eigen kaasschaaf had, bezocht ik mijn ouders in de weekends. Om mij nog van een goede maaltijd te voorzien voor ik met de trein terugging, aten we tussen de middag warm. Van tevoren werd er geborreld; mijn vader dook dan opgewekt zijn piepkleine ‘wijnkelder’ in en zat tegen twaalven aan zijn eerste glas. Ook bij het eten hield hij mij de fles uitnodigend voor.
Wat moet ik een afgrijselijk kind geweest zijn. Want in plaats van lekker mee te drinken, en een beetje op te letten wat voor wijn het was, bekeek ik deze alcoholische uitspattingen met licht afgrijzen. Ik begreep niet dat iemand zich om die tijd al aan de drank vergreep. Zelf bleef ik liever helder, al was het maar voor de reis terug. (Ook zonder enige vorm van beneveling stapte ik vaak genoeg in de verkeerde trein.)

Goede genen komen uiteindelijk toch wel bovendrijven. Want ik voelde me op den duur alsnog aangetrokken tot gulle alcoholinname. Mits omringd door een waas van beschaving natuurlijk. Van zinnen als ‘He advised me always to have a copita of oloroso mid-morning to prepare myself for the copitas of fino before lunch’ (in Sherry, van Julian Jeffs) maakt mijn hart een sprongetje. Wat een heerlijke wereld roepen die woorden op. Ze zijn mijn redding geweest van de kaasschaaf. Vergane glorie? Ook in onze eeuw beweren Spanjaarden nog graag dat je van bijvoorbeeld manzanilla niet dronken kunt worden. En gelukkig heb ik aan den lijve ondervonden hoe heilzaam een glas manzanilla kan zijn, op elk uur van de dag.

Mijn vader is al tien jaar dood. In zekere zin was hij een tamelijk grote boom, en in de schaduw van zo’n boom is het moeilijk groeien. Maar toen hij eenmaal omgevallen was, bleek het in de felle zon ook niet zo prettig. En realiseerde ik me wat een genereuze man hij was geweest. Iemand met wie ik nu maar al te graag een fles leeg zou maken. Desnoods om acht uur ’s morgens.

(2007)

Het meisje dat nee zei

Na een paar dagen in een tent of (in ons geval) een kleine camper te hebben doorgebracht, weet je dat je kleren stinken en dat je er raar uitziet. Je ruikt en ziet het zelf pas als je weer thuiskomt, maar door ervaring wijs geworden, weet je het al eerder.

Manlief en ik durfden restaurant Kronenschlösschen in Hattenheim dan ook niet te betreden met onze muf ruikende campingoutfits. Gelukkig was er ook een bistro bij. En daar was nog één tafeltje vrij, en wij mochten het hebben. Aangezien we al bergen euro’s aan dozen wijn hadden besteed, besloten we het goedkope bistromenu te nemen. Bij het voorgerecht (iets met garnalen) kozen we een glas Riesling Kabinett mild, van Weingut Robert Weil. En voor bij het hoofdgerecht (pot au feu met nog iets) bestelden we vast een Assmannshäuser Spätburgunder van Weingut Krone. We werden bediend door een aardig meisje, dat echter zo zacht sprak, dat we vrijwel niets konden verstaan van wat ze zei. Maar wat gaf het, wij zaten lekker warm op goede stoelen tussen witgedekte tafels en zacht kaarslicht. Een behoorlijk contrast met het campertje, zal ik maar zeggen.

De garnalen kwamen, met de Riesling. Geen klagen, lekker gerechtje, en de wijn deed het er aardig bij, al was hij wel een tikje wee. Het meisje kwam terug om te dekken voor de volgende gang. Ze legde visbestek neer en begon de Spätburgunder in te schenken. Vis?? ‘Ja,’ zei ze, ‘vis’. En nog een en ander erachteraan dat we niet konden verstaan. (Waarschijnlijk: ‘stelletje domme buitenlanders, er staat op het bord: mit Hummersauce, dan weet je toch genoeg?’) Maar, zei echtgenoot, dan past de wijn er zeker niet bij? En toen gaf het meisje blijk van een grootse eenvoud. Ze zei: ‘Nee.’

Ze ging het niet goedpraten, ze zei niet dat de vis in de pot au feu heel vlezig was, of dat de wijn heel licht was; ze zei gewoon de waarheid en die was nee. Ze liet ons even aan haar haakje bungelen – de wijn was immers al ingeschonken – en vroeg toen of we dan wellicht liever een Riesling hadden. Ja, dat hadden we. Maar kon dat nog? ‘Überhaupt kein Problem’, zei ze, en verdween met fles en glazen, om weer terug te keren met schone glazen en een fles Riesling.

We hebben een heerlijke tijd gehad daar in Duitsland. We hebben mevr. Stodden in de Ahr zien ontdooien van wat-moet-ik-met-die-mensen tot met ons mee lachende dame. We hebben de composthoop van Peter Jakob Kühn in de Rheingau mogen bewonderen en op de super-wc van Weingut Am Stein in Franken gezeten (met aan één kant een glazen wand, waardoor je uitkijkt op Würzburg en Würzburg op jou) – om zomaar eens wat hoogtepunten te noemen. Maar het allermooist was misschien toch dat meisje, dat haar vak zo serieus nam, dat ze ook tegen twee verkreukelde buitenlanders gewoon nee zei.

(2009)

Dubbel extra


Ik heb me altijd voorgenomen om na mijn pensionering de gordijnen dicht te doen, in een stoel te zakken, en me gestaag door een berg boeken, bonbons en wijn heen te werken. Afgelopen met al dat gezeur over bewegen, gezond eten en matig drinken. O, en een sigaretje erbij.

Tot die tijd heb ik het idee dat ik enigszins in conditie moet zijn en blijven. Maar ik hink daarbij op twee gedachten. Gezond is goed, zolang het maar niet ten koste van het genieten gaat. Ik raak direct geïrriteerd door zuurpruimen die mij m’n plezier willen ontnemen. Zo lees ik in het boekje Slow, slank & fit van Wim Köhler en Cinta de Bats de volgende, buitengewoon behulpzame tip: ‘Drink geen alcohol voor het eten. Een aperitiefje vergroot de eetlust. Wie binnen een uur na een alcoholisch drankje aan tafel gaat, eet meer. (...) Een aperitiefje zorgt voor dubbele extra calorie-inname: eerst de alcohol, dan de grotere maaltijd.’ O nee toch! Dubbele extra calorie-inname! Het is al een gevleugeld woord geworden in ons huishouden. ‘Pas op schat, dúbbele éxtra calorie-inname!’ Het spijt me voor de auteurs. Het zijn vast aardige mensen en ze hebben ongetwijfeld gelijk. Maar een stel dat onder andere schrijft helemaal geen kaas meer te eten om toch vooral maar dun en übergezond te blijven, kan ik gewoonweg niet serieus nemen.

Veel inspirerender om te lezen is Bleak House van Charles Dickens. Een van de personages, de geheimzinnige Tulkinghorn, is een liefhebber van oude port, waarvoor hij afdaalt in de echoing regions onder zijn enorme huis. ‘He comes gravely back, encircled by an earthly atmosphere, and carrying a bottle from which he pours a radiant nectar, two score and ten years old, that blushes in the glass to find itself so famous, and fills the whole room with the fragrance of southern grapes.’
Dickens maakt het zijn lezers hier een tikje lastig. Tulkinghorn is een onaangenaam personage, maar je wilt je toch wel graag even met hem identificeren als hij zulke mooie wijn drinkt... Tulkinghorn is echter een solodrinker; die kelder vol peperdure port is een van zijn vele geheimen. En om te zorgen dat dat zo blijft, heeft hij dubbele extra voorzorgsmaatregelen genomen: ‘He takes a small key from his pocket, unlocks a drawer in which there is another key, which unlocks a chest in which there is another key, and so comes to the cellar-key (...).’

Hierdoor aangespoord is er niets leukers dan de eigen kelder in te duiken en te zoeken naar een radiant nectar, en boven te komen met een Dönnhoff Norheimer Dellchen, Riesling Spätlese 2004 uit de Nahe. Dat ruikt naar calorieën en ja, het feest begint met een neus vol zoetigheid: rijpe geuren van meloen, perzik en honing. Even later komen ook mineralen tevoorschijn. De smaak gaat eveneens zoet en barstensvol rijpheid van start, maar wordt bij de volgende slok opeens frisser. De zuren banen zich een weg naar voren, brengen sinaasappel en citroen mee. Je vangt een glimp op van koele, strakke mineralen, maar net als je denkt dat je ze te pakken hebt, wordt de wijn romig en zacht. Een echte sensatie bij een doodgewoon varkenslapje, op een doordeweekse dag. Dubbelextrafantastisch. Wie heeft daar nou geen vetrolletje voor over?

(2008)

De examinator

Zittend op het wiebelige randje van het vijvertje in mijn tuin probeer ik de salamanders op te sporen. Ik tuur geconcentreerd in het water, speur alle plekken af waar ze normaal gesproken zitten. Ik zie niks. Langzaam dwalen mijn gedachten af en gaat mijn blik waar hij wil: naar de waterlelies, de rietstengels, de watermunt, een paar schaatsertjes – wat een grappige beestjes zijn dat toch – en hé, daar heb je een salamandertje. En daar zit er nog een.
Wijze les: als je iets heel graag wilt zien, moet je er niet al te gericht naar zoeken. Ontspan en het duikt vanzelf op.

Geldt dat niet voor heel veel dingen in het leven? Ook voor wijn, bijvoorbeeld? Hoe moeilijker je erover doet, hoe meer de wijn aan je grip ontsnapt. Ik vind mezelf weer heel diepzinnig, daar op de rand van die vijver, zittend in de zon.

’s Avonds eten we buiten en drinken een glas rood. Ik zit wat te oreren over fruit, zuren, alcohol en tannine – het woord terroir neem ik nog net niet in de mond –, als mijn man opeens quasigewichtig zegt: ‘Hm, ík zie coniferen in mijn wijn.’ We barsten allebei in lachen uit. Maar het is wel zo. Het rijtje coniferen achter ons wordt prachtig weerspiegeld in de donkerrode vloeistof. Het zijn eigenlijk lelijke, uit hun krachten gegroeide dingen. Maar er nestelen elk jaar duiven in, en als het heet is, geven die sombere bomen een ongelooflijk lekkere, zondoorstoofde geur af. En nu is hun silhouet dus ook nog eens heel mooi te zien in een glas wijn.
Wijze les: je bent eerder een wijnzeur dan je denkt. Hou je ogen open.

Die nacht heb ik een akelige droom. Ik moet examen doen en heb niets voorbereid. Het gaat over wijn, ook dat nog. ‘Wat ziet u in uw glas?’ vraagt de examinator streng. ‘Eh... niets!’, stamel ik geïntimideerd. ‘Fout!’ dondert hij. ‘Wat ziet u in uw glas, mevrouw Schippers?’ ‘M’n... m’n neusgaten’, fluister ik angstig. ‘WAAAAATTTT?’, schreeuwt hij en ik word paniekerig wakker. Wat een droom.
Ik sluip stilletjes naar beneden en schenk een glas rood in. Slaperig hang ik erboven. Ik werp een blik in het glas om te zien wat er te zien valt. Hè? Wat is dat nou? Ik slaak een snerpende gil. Het is de examinator.
Wijze les: vergeet nooit gewoon van je glas wijn te genieten. Voor je het weet is het te laat.

(2009)

Crisis

Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender
Zijn heimelijke pijnen draagt.

‘Het regent en het is november’. Een van mijn dierbaarste zinnen uit de Nederlandse poëzie. Zet er een grafstem bij op en je kunt zelfs tijdens een hittegolf dat ongekend zware herfstgevoel oproepen. En zodra het dan eindelijk echt november is, draag ik dit gedicht van J.C. Bloem – het heeft nog drie strofen – voor aan wie het maar horen wil.

Hoewel ik van de herfst hou, zelfs als het regent, is het een riskante periode, waarin de crisis op de loer ligt. Volgens de bladen is dit de tijd van boswandelingen, paddenstoelen, wild en stoofpotten. En bijpassende wijnen. Overal duiken ze op. Ik heb er nooit een probleem van gemaakt, van wijn-spijscombinaties. Maar opeens vind ik het een glibberig onderwerp. Zwaar. Enerzijds lees ik dat er regels zijn, maar dat je je daar vooral niet aan moet houden. Anderzijds zijn er wetenschappelijk onderbouwde betogen vol mondgevoel en gustatorische invloeden. Je hebt mensen die het allemaal overbodige moeilijkdoenerij vinden. En je hebt mensen die iedere pietepeuterige nuance in de wijn kunnen verbinden aan elk miniem smaakje in het gerecht, en daar urenlang over door kunnen gaan.

Een perfecte wijn-spijscombinatie maken, zo eentje waarvan je tenen omkrullen en waarvan je het liefst, als het er niet zo idioot uit zou zien, met gesloten ogen en een etherische glimlach op de lippen zou genieten, is zo makkelijk niet. Zelfs in de beste restaurants, waar ze toch echt geen flauwe wijnen schenken, kom je dergelijke door de engelen ingefluisterde combinaties maar zelden tegen. (Dat is overigens niet heel erg. Ik hanteer de volgende tactiek: eerst je bord leegeten en daar met volle teugen van genieten. Vervolgens je glas leegdrinken en daar met volle teugen van genieten. Dat is dan toch ook dubbel genieten.)

Er zijn regels, en toch ook weer niet. Wijn en eten onttrekken zich zonder enig excuus aan de voorschriften. Gisteravond openden we een fles Jasnières die volgens de regels nu heel lekker had moeten zijn. Maar hij gaf zachtjes de geest waar we bij stonden. En het was al heel erg de vraag of hij wel zou smaken bij de venkelrisotto. Zo weinig houvast, en dan ook nog in de herfst, als alles toch al uit je handen glipt en de weemoed je naar de strot grijpt.

Leven, dood, eenzaamheid, leegte: Bloem – overigens een grootverbruiker van wijn – wist daar wel raad mee. Maar nu laat hij me lelijk zitten. Ik heb een wijn-spijscrisis. En dat net voor de feestdagen.

(2007)

Medicijnwijn


De zomer wil niet erg op gang komen. De tomaatjes in mijn tuin hangen al een tijdje groen te wezen, maar weigeren vooralsnog rood te worden. De gedroomde etentjes in de tuin spelen zich uiteindelijk toch vooral binnen af. Voor de wijnen maakt het gelukkig allemaal niets uit. Ze liggen lekker in de kelder, en het kan ze niks schelen of het regent of niet. En ook niet of ik een goed humeur heb of niet. En dat terwijl ik zo geïnspireerd ben door het Franse marketingconcept van moods en bijpassende wijnen (een voorbeeld: je voelt je héérlijk zen, nou, dan adviseert het concept een wijn die boordevol harmonie en mystiek zit: een Mâcon-Villages). Vol verwachting drentel ik daarom door mijn kelder om mijn eigen systeem op te zetten.

Stel, je bent een dromer, een lezer, iemand die graag rondscharrelt in huis en tuin: wat voor soort wijndrinker ben je dan? Een langzame, weet ik uit ervaring. Die heel lang met één glas amontillado kan doen en bij elke slok weer verrast is door het prachtige verschil tussen de geur en de smaak: die volle, nootachtige neus met wat toffee die een wat zoete wijn lijkt te beloven, en dan de eindeloos mooie, droge, complexe smaak die volgt.
Maar ik ben ook wel eens hyper en nerveus na een vergadering met mensen die volledig langs elkaar heen praten. Dan grijp ik naar die brede, traag door de mond glijdende Meursault 2004 van Dujac Fils & Père. Een paar slokken, een paar diepe zuchten, en ik voel me alweer veel beter. Kwaad en gefrustreerd vanwege een opdracht die aan mijn neus voorbijgaat? Kwestie van een wijn met een vrolijk karakter zoeken. Deze Ecceterra bijvoorbeeld, een Vin de Pays de l’Hérault: zonnig, fruitig, ongecompliceerd en lékker. Voel ik me moe en een tikje chagrijnig na de worsteling met een tekst die niet wil wat ik wil? Even geconcentreerd proeven van de Brunello 2003 van SanCarlo, en die tekst zál buigen. Dipje? Champagne natuurlijk, of zo’n sappige Riesling van Sandra Kühn.
Het moeilijkst zijn de uren van weemoed en melancholie. Verlangen naar mensen die er niet meer zijn, naar plaatsen waar je nooit meer komt, naar momenten die onherroepelijk in het verleden opgelost zijn. Dan wil je een wijn die de scherpe kantjes erafhaalt. Misschien de laatste fles Ladoix 1er Cru 2001, met geuren en smaken van heel zacht fruit, paddenstoelen en bosgrond – geuren en smaken die aan het vervagen zijn, maar nog altijd een wereld aan beelden oproepen.

En zo droom ik verder tussen de flessen (en oude jassen en bloempotten en kapotte stoelen en al die andere dingen die een kelder vullen). Wijn als medicijn, waarom ook niet? Ik kan eindeloos doorgaan met het verzinnen van passende buien bij mijn voorraadje wijnen. En heb ik een keer geen bui, dan speel ik vals. Of ik drink een kopje thee.

(2008)

Miss

Call me Miss Salmonella”, zegt Jennifer Paterson tegen Clarissa Dickson Wright, terwijl ze een gerecht maakt met een royale hoeveelheid rauw ei. De twee dames – de Two Fat Ladies – lachen hun bulderende lach en gaan door met hun kookprogramma.
Een verademing, die dames die zo onbekommerd waren en niet aan kwamen zetten met gesteriliseerd eigeel en andere enge dingen. Maar feit is wel dat je van bedorven of besmet eten behoorlijk ziek kunt worden.
Wat dat betreft hebben wijndrinkers het makkelijker. Wijn kan smerig ruiken, waardoor je alleen met heel veel tegenzin een slok ervan neemt. Hij kan ook heel vies smaken, zodat je hem in hoog tempo weer uit wilt spugen. Maar hij kan eigenlijk niet bederven zoals voedsel dat kan. Zolang er geen verboden chemicaliën of andere middelen aan de wijn zijn toegevoegd, en daar mag je toch over het algemeen wel van uitgaan, kun je elke wijn rustig drinken zonder dat je korte tijd later ondersteboven in de wc-pot hangt.

Toch is er, zo blijkt uit persoonlijk onderzoek, wel degelijk een gevaarlijke stof in omloop die je wijn behoorlijk kan bederven. Hij wordt vooral aangetroffen op dames waaraan veel goud blinkt en op heren met zegelringen. Maar eigenlijk ook wel op bescheiden meisjes en jonge hippe knapen. Er zijn zoveel types waar een luchtje aan zit. Soms lekker, fris, fruitig, opwekkend, als dauwdruppels op een grasspriet, als wilde bloemen – nou ja, enzovoort. Soms vies, plakkerig, zwaar, zoet, doordringend.

Bweh. Want hoe gaat dat? Ik sta op een proeverij en hang mijn neus boven een glas wijn. Ik snuif. Op dat moment komt er iemand naast me staan. Een wolk van haar/zijn geur omringt me. Ik snuif nog eens, en ruik Chanel No 5. Uitsluitend Chanel No 5. Ik stap opzij en probeer het nog een keer. Nu schuift net een heer voorbij met een pittige aftershave om zijn persoon. Whoa. Nog maar een stap achteruit. Daar komen eindelijk wat bessen en kersen van de wijn aandrijven. Tot de volgende persoon langskomt die zich van top tot teen ondergespoten heeft.

Op proeverijen wordt je personal space bubble doorgaans vele malen betreden door medeproevers. Dat kan nou eenmaal niet anders. Je staat met z’n allen voor zo’n tafel, je wilt allemaal die ene wijn proeven, je wilt allemaal die ene man of vrouw wat vragen. Maar hoe dichter op elkaar je gedwongen wordt te leven, hoe hoger de graad van beschaving dient te zijn.
Komt er dus weer zo’n onbeschofte parfumbom langs, dan krijg ik de neiging mijn neus even te ledigen zoals sportlieden dat doen: één neusgat dichthouden en het andere krachtig schoonblazen. Hup, zo op het vloerkleed. Of beter nog, op de schoenen van dat mens. Call me Miss Baksel.

(2008)

Treurige mensen
Afgelopen zaterdag zat ik naar een aflevering van Wallander te kijken. Een onhandige Zweedse rechercheur die worstelt met zijn werk en zijn privéleven. Gescheiden natuurlijk, en amper in staat voor zichzelf te zorgen, laat staan voor een ander. Zo’n man die weliswaar een uitstekende politieman is, maar verder aan elkaar hangt van de onhandigheden. Hij slaapt in een stoel. Zijn huis is kaal, zijn keuken vrijwel leeg, zijn koelkast ook. Wijn? Daarmee spoelt hij zijn pillen weg.
Het deed me denken aan wat een vriendin me ooit vertelde over een net gescheiden vriend: die opende ’s avonds een blikje, deed de inhoud in een steelpannetje en zette dat op de verwarming, in de hoop dat het een smakelijke maaltijd werd. Zij vond het vertederend. Mij maakte het kwaad. Wat voor een idioot ben je als je niet eens een blikje bonen op kunt warmen? Zo iemand vertikt het gewoon fatsoenlijk voor zichzelf te zorgen.

Dat onvermogen om het een beetje leuk te maken voor jezelf, om te zorgen dat je lekker eet en er een decent glas wijn bij drinkt, dat vind ik oprecht treurig. Ik heb in de loop van mijn leven ervaren dat van wijn en eten een echte troost kan uitgaan, ook en misschien wel juist in tijden van narigheid, eenzaamheid, ziekte en dood. En dan heb ik het natuurlijk niet over het blije eet- en wijngebeuren dat ons uit de glossy’s tegemoet straalt. Nee, het gaat juist om de dagelijkse kost. Eten moet je toch, en het kan een steun zijn als dat eten eenvoudig maar goed is, en als je daar een dito wijn (of natuurlijk een Margaux) bij drinkt.

Hier dan een praktische handreiking voor de treurige mens m/v. Er is een wijn die ongelooflijk opwekkend is en die je precies die schop onder je reet geeft die je nodig hebt om er ook even iets lekkers bij te maken. Je kunt hem voor en tijdens het eten drinken en hij zit in een ook voor de eenling behapbaar flesje van 500 ml. Die wonderwijn is de Fino Eléctrico van Toro Albalá (te koop bij De Gouden Ton). Hij komt niet uit Jerez, maar uit de DO Montilla-Moriles, en is niet van palomino fino, maar van pedro ximénez gemaakt. De rijping is wel verlopen zoals bij een fino: onder flor dus. Het is een wijn om totaal verslingerd aan te raken: zilt, notig, complex, verfijnd en droog, maar dankzij de px gevulder dan je van fino gewend bent en net even sappiger. Hak en bak een uitje met knoflook, trek een blik linzen open, gooi het erbij, roer er wat peper, zout, olijfolie en citroensap door en schuif dit naar binnen, met dat glas Fino Eléctrico erbij. Dan heb je een feestmaal en ben je misschien nog altijd een treurig mens, maar dan toch wél een genietend treurig mens.

(2012)

’t Kan best
Als iemand die meer dan gemiddeld geïnteresseerd is in wijn en eten word ik geacht mij daar dagelijks vol passie op te storten. Elke dag moet een feest zijn. In de koelkast liggen louter verse ingrediënten van onberispelijke herkomst. De voorraadkast puilt uit van de waren die elke zichzelf respecterende kookliefhebber tegenwoordig in huis heeft (van ansjovis in een potje – veel beter dan uit een blikje – tot gerookt paprikapoeder en granaatappelsiroop) en de kelder blinkt bijkans van de schitterende flessen die er keurig naast elkaar liggen te wachten op het licht.

Ik moet eerlijk zeggen: soms is dat best vermoeiend. Laat ik zelfs maar even in de biechtstoel kruipen (die paters kan ik wel aan) en u vertellen dat er momenten zijn waarop ik schoon genoeg heb van wijn. En van eten ook, trouwens. Nou duurt zo’n aanval nooit zo heel lang, want eten moet je toch en die wijn van gisteren moet ook op. En wat ingrediëntren betreft doen we weinig concessies: vlees bijvoorbeeld moet scharrel zijn, en anders maar niet. Ook wordt er hier in huis niet geconsumeerd uit zakjes en pakjes en zeggen we keihard nee tegen wijnen uit de megawijnindustrie.

Maar het leven is nou eenmaal geen glossy. Er zijn dagen dat je bij het opstaan alweer naar je bed verlangt en je ’s avonds met een vlekkerig gezicht vol vouwen achter het fornuis plaatsneemt. Daarom houden echtgenoot en ik er een soort nuchter eet- en drinkbeleid op na, dat elke dag weer heel goed werkt. Ons motto daarbij is: ach, ’t kan best.

Daarmee bedoelen we een wijn die niet direct top is, maar heel goed te drinken voor een doordeweekse donderdag. Of een maaltijd die niet uitblinkt door creativiteit of zelfs maar verse groenten (pasta met gebakken ui en spekjes, bijvoorbeeld, met wat parmezaan erover: lekker en je maakt het met je ogen dicht). Of een wijn-spijscombinatie die niet overhoudt, maar toch best wel kan, zoals de iets te weeë Dönnhoff Riesling bij kikkererwten met rode peper en groenten, of het glas sekt bij de raapsteeltjesstamppot of de net even te heftige Rhônewijn bij linzen en rijst met gehakt, ui, knoflook, pepers en tomaten uit blik. ‘Nou – ’t kan best’, zeggen we dan tegen elkaar en nemen nog een hap en een slok.

Als een oud boerenechtpaar, de billen ferm op de stoelen geplant, de blik op het bord gericht: zo zitten we er bij. ‘’t Kán best’, mompelen we, of soms ‘’t Kan bést.’ Het riekt misschien een beetje naar een zesjescultuur en het is nou niet direct glamourous, maar ik ben er heel tevreden mee. Want elke dag een feest, pfff, wat moet je dan op feestdagen?

(2010)

Wonderen bestaan
‘In Jerez zegt men dat sherry nimmer sterft. Sherry kan oud worden, ouder en dan nog veel ouder, niemand weet hoe oud precies, en met de jaren wordt hij steeeds wijzer en wijzer, hij schrompelt ineen tot louter essentie van het levensmysterie zelf.’ Dat schreef Wina Born in 1978, in haar boek Sherry en Port.

Ik moest aan haar denken toen ik afgelopen september zelf zeer oude sherry’s te proeven kreeg. Met een klein groepje gelukkigen stonden we tussen de metershoog opgestapelde vaten van Valdespino. Het was een bloedhete dag en ook in de bodega was het, door de hoge luchtvochtigheid, warm en benauwd.
We begonnen met een fino uit de Macharnudowijngaard die nog maar een paar weken oud was en nog (op vat) aan het gisten was en werkten zo de hele bodega door, om te eindigen met een meer dan honderd jaar oude Moscatel. Onderweg proefden we het hele spectrum: fino, amontillado, palo cortado, oloroso, cream, px en moscatel.

Ik hoef natuurlijk niemand te vertellen dat het stuk voor stuk geweldige wijnen waren. Zo complex. Zo verfijnd. Zo geconcentreerd. Zo krachtig. Zo verderlicht. Zo fris. Zo toegankelijk en tegelijk zo totaal ongrijpbaar. Maar bovenal: zo levendig. Stokoude wijn, gemaakt door mensen die inmiddels al dood zijn, maar die ál je smaakpapillen wakker kust als een jonge god.
Dat is wat sherry met je doet. Je wordt er lyrisch van, geëxalteerd, idioot romantisch. Maar het ís verdorie ook een wonderbaarlijke wijn. Honderden jaren geschiedenis, emoties en mensenlevens samengeperst in een drank die tot de allermooiste wijnen van de wereld hoort.

Niet dat sherry alleen maar romantiek is. Ook in Jerez en omgeving slaat de crisis toe, zijn er nog maar weinig echte familiebedrijven en speelt geld vaak een belangrijkere rol dan kwaliteit en vakmanschap. Boeren moeten keihard werken om het hoofd boven water te houden en bodega’s zijn voortdurend op zoek naar nieuwe afzetmarkten. Maar dat lijkt allemaal heel ver weg als je in een oude bodega tussen die ontzagwekkende vaten staat. En het maakt het wonder van zulke bijzondere wijnen misschien alleen maar groter.

En het was nog niet op. Ik koesterde nog de wens om eens te proeven met Jesús Barquín (de oprichter van Equipo Navazos, een groep die buitengewone sherry’s selecteert bij de beste bodega’s en die in kleine oplagen laat bottelen). Op diezelfde bloedhete dag in Jerez, op een parkeerplaats bij een hotel, in het onbarmhartige zonlicht, terwijl de rest van het reisgezelschap in de bus op ons zat te wachten, proefden Jésus Barquín, fotograaf Gerard Reijmer en ik een manzanilla, fino en palo cortado van Equipo Navazos, uit de achterbak van de auto van Jezus. Wonderen komen soms op een andere manier tot je dan je je had voorgesteld, maar ze bestaan dus wel.

(2012)

Een levendige aanval

In de gids van een wijnhandel – nou vooruit, een beetje reclame mag wel: het was Vinoblesse – lees ik over een eenvoudige wijn voor alledag: ‘Zacht kersenfruit, lief, sprankelend rank van smaak. Weinig alcohol. Energiek. Type: hoog de glazen!’ Die wijn wil ik proeven. Ik zie zelfs al voor me hoe al die eigenschappen elke dag op mij overgedragen worden. Hoe ik voortaan lief, sprankelend rank en energiek door het leven zal gaan. (Ja, hij was zeker zo lekker als de gids belooft, maar nee, hij heeft zijn eigenschappen niet op mij overgedragen. Verdorie.)
In een andere folder wordt een ook al eenvoudige wijn voor alledag aanbevolen als ‘Karakteristieke Chardonnay met veel knisperend fruit. Een echte top Chablis, die u geproefd moet hebben!’ O ja? Huh. Er staat nog net niet bij dat deze wijn ‘een pareltje’ is. Dat is de term die elke mogelijke transactie onmiddellijk onmogelijk maakt.

Voor mij dan. Ik ben erg gevoelig voor het woord. Een statige butler die van een glas port ‘een dansje door de kamer maakt’; roséchampagne ‘die het toppunt van tederheid is, van vruchten waarvoor ieder verkleinwoord te groot is’ – het is dat deze woorden niet uit folders komen, maar anders zou ik die wijnen onmiddellijk besteld hebben. Wat is dat toch met wijn en taal? Wijn spreekt voor zichzelf, zou je zeggen. Ja en nee. De moderne wijnliefhebber is pas ontstaan nadat er begrijpelijke, leesbare, mooie boeken over wijn verschenen (dat verzin ik niet zelf; het staat in de Oxford Companion to Wine). Natuurlijk, als er op een wijnkaart een Château Margaux 1947 staat (en je kunt ’m betalen), dan heb je daar waarschijnlijk geen verdere toelichting bij nodig. Maar stel nou dat er Châtau Margaux zou staan. Of Chateau Margau. Zou je de kaart dan niet met enig wantrouwen bekijken? Of op z’n minst geïrriteerd zijn?

Nu is het tamelijk zinloos je te ergeren aan wijnkaarten, want veel Nederlandse wijnkaarten wemelen van de fouten, en er is gewoonweg geen beginnen aan om je daarover op te winden. Niet alleen de namen van de wijnen worden konsekwent verkeerd gespeld, ook de begeleidende tekstjes staan vaak vol fouten. En dat is dan nog tot daaraantoe, als het dan ten minste mooie teksten zijn. Opzwepende teksten! Teksten waarvan je zin krijgt om die wijn te bestellen en de fles tot op de laatste druppel leeg te drinken! Maar nee, je leest dingen als ‘Een levendige aanval laat beetje bij beetje zijn extreme finesse zien en toch een romige afdronk’. Wil ik een wijn bestellen die me bij de eerste de beste slok aanvalt? Hoe spannend misschien ook, het antwoord is nee.

Ik ben niet van de school die vindt dat iedere restaurantbezoeker maar moet weten waar elke wijn vandaan komt en hoe hij zo ongeveer zal smaken. Ben je gek! Toelichting dus graag, met enige taalkundige logica geschreven. Maar vooral met liefde.

(2009)